Een stukje geschiedenis van Someren
De namen Someren en Lierop
De oudst bekende vermelding over Someren stamt uit 1212.
In een akte uit het archief van de abdij van Postel is sprake van
´Sumeren´. In andere oude archiefstukken duikt Someren onder
diverse benamingen op, bijvoorbeeld als ´Zomeren´ of ´Zoemeren´.
De naam Someren wordt op verschillende manieren verklaard.
Sommigen zoeken de naamsafleiding in so/soe (= water)-ma (= land)-
ren (= grens). Volgens een andere naamsverklaring dankt Someren
haar naam aan het feit dat de Aa hier uit ´Seven Moeren´ zou
ontspringen. Tenslotte zijn er ook mensen die veronderstellen dat
de naam dateert uit de vóór-Germaanse tijd. Daarbij verwijst men
naar de verwantschap met de Belgische Zomergems of de Duitse
Sumeringa´s, in de betekenis van zomerweide, of aan een afleiding
van de naam Sumaro of Zomer.
De abdij van Postel heeft vanaf haar ontstaan veel invloed
gehad op Someren en Lierop. Vandaar dat we ook Lierop voor het
eerst tegen komen in de archieven van de abdij. In een akte uit
1155 wordt Lierop genoemd als ´Lirdob´ en ´Lindor´. In oude stukken
wordt Lierop ook vaak ´Leyendorp´ genoemd. Uit die benaming wordt
ook de naam Lierop verklaard, als dorp aan de ´Lije´ (= waterloop).
Meer informatie over de geschiedenis van Someren vindt u o.a. terug
in het boek van dhr. Coenen, Hertog Jan en de Zummerse Mens.
De voormalige gemeenten Lierop en Someren werden in 1935
samengevoegd tot de huidige gemeente Someren.
De namen Someren-Eind en Someren-Heide
De naam ´Eind´ bestaat al eeuwen. Het zuidelijke
bewoningsdeel van Someren heette vroeger ´Eynde-Schoot´.
De benaming ´Heide´ is overgenomen van het uitgestrekte
ontginningsgebied waaruit het ontginningsdorp is ontstaan. Op
kaarten staat het gebied onder de naam ´De Heide´ of de ´Somerense
Heide´.
De oudste historie
De archieven geven houvast over de tijd waarin wanneer de
namen Someren en Lierop voor het eerst voorkomen. Dat betekent
echter niet dat de beide dorpen er voor die tijd niet waren.
Archeologische onderzoeken en vondsten tonen aan dat er al voor de
12e eeuw sprake was van menselijke bewoning op het grondgebied van
het huidige Someren.
Zowel in Someren als in Lierop zijn sporen gevonden uit de
tijdvakken waarin onze geschiedenis is ingedeeld. Uit de Oude-,
Midden- en Nieuwe Steentijd (10.000 - 1.700 vóór Christus) zijn
stenen gereedschappen, pijlspitsen en strijdbijlen en -hamers
aangetroffen.
Sinds 1990 vinden ten oosten van de kom van Someren-Dorp
jaarlijks opgravingen plaats in en rondom het uitbreidingsplan
Waterdael. De opgravingen hebben inmiddels een schat aan informatie
opgeleverd over prehistorische en middeleeuwse bewoners van het
Somerens grondgebied. Tussen 1990 en 1992 werd door het Instituut
voor Pré- en Protohistorische Archeologie van de Universiteit van
Amsterdam (I.P.P.) een urnenveld opgegraven. Dit veld werd tussen
600 en 400 vóór Christus (IJzertijd) gebruikt door de toenmalige
bewoners van de Somerense Akkers om er hun overledenen te begraven.
De botten van circa 200 doden werden verzameld in een doek waarna
deze in een kuil werden begraven. Rondom de kuil werd een ronde,
vierkante of langwerpige greppel gegraven en over het graf kwam een
lage heuvel van zand en plaggen te liggen. De opgravingen hebben
een nieuw type langwerpige grafheuvel opgeleverd dat thans in de
archeologische wetenschap te boek staat als “langbedden van het
type Someren”. Eén zo’n grafmonument had een unieke lengte van maar
liefst 145 meter.
Verspreid over een groot gebied zijn de boerderij-erven
van de ijzertijdbewoners teruggevonden. Bijzonder is ook de vondst
van een graf van een inheems-Romeins krijger die met zijn zwaard,
schaar en scheermes, alsmede wat voedsel en een kruik met drank in
een vijfhonderd jaar ouder grafmonument werd begraven. Op het plein
van de nieuwbouwwijk Waterdael, gelegen aan de Dorpsweg/Amer is in
de bestrating en het openbaar groen een aantal grafmonumenten van
het urnenveld weergegeven.
De opgravingen hebben ons verder geleerd dat de akkers
tussen het riviertje de Aa en de kom van Someren-Dorp vooral in de
periode tussen 1000 en 1200 na Christus werden ontgonnen. Na de
Romeinse tijd was het gebied vrijwel volledig dichtgegroeid met
bos. Ruim tien middeleeuwse ontginningsboerderijen compleet met
schuren, hooimijten en waterputten vormen de stille getuigen van
een intensieve ontginningsgolf. Verder is bij de rotonde aan de
Lage Akkerweg een gehucht van enkele hoeven opgegraven dat was
gelegen aan een splitsing van twee wegen. Kort na 1200 verdwijnen
de bewoners van de Somerense Akkers om zich te verplaatsen naar de
huidige dorpskern. Sinds enkele jaren is weer een tegenovergestelde
beweging waar te nemen: de huidige (en toekomstige) bewoners van
plan Waterdael wonen weer op de gronden waar hun verre voorouders
eeuwen lang hebben gewoond, hun akkertjes hebben bewerkt en hun
doden hebben begraven.
Komt u bij grondwerkzaamheden vondsten tegen,
dan kunt u dit melden op het gemeentehuis
of bij de provinciale archeoloog
R.O.B. tel. 033-4634233)
Zelfbestuur
Uit de archieven blijkt dat 2 juli 1301 een belangrijke
dag is uit de geschiedenis van Someren. Op die dag kreeg Someren
namelijk het recht van zelfbestuur van de Brabantse hertog Jan II.
Voortaan handelde een college van zeven schepenen een groot deel
van de bestuurlijke en rechterlijke taken af. De schepenen kregen
daarbij assistentie van speciale functionarissen. Voor financiële
zaken waren dat de burgemeesters, voor kerkelijke aangelegenheden
de kerkmeesters en voor de sociale zorg de Heiligegeestmeesters of
armmeesters. Ook Lierop had zo´n bestuursstructuur, maar het is
niet bekend op welke datum Lierop die mocht instellen.
Eeuwenlang heeft een dergelijke plaatselijke
overheidsorganisatie bestaan. Pas in de negentiende eeuw ging men
over naar een bestuursstructuur met burgemeesters, wethouders en
gemeenteraad.
Ontwikkeling van het grondgebied
Het grondgebied van Someren en Lierop werd voor het
grootste deel al bepaald in de late middeleeuwen. Het huidige
grondgebied van Someren behoorde deels aan de Brabantse Hertog en
deels aan de kerk van Sint Lambertus uit Luik. Toen hertog Jan II
in 1301 een schepenenbank voor Someren instelde, nam hij een
bepaling op over zijn gronden in Someren. Degenen die de ´gemeente´
(gronden in gemeenschappelijk gebruik) gebruikten, moesten daar
jaarlijks een bedrag voor betalen. De hertog liet daarbij optekenen
dat ´denselven luyden´ (namelijk die van Someren) de ´gemeente´ van
hem kregen.
Een oorkonde van 21 december 1327 is duidelijker over de
begrenzing van Someren. Arnold, proost van Wassenberg, verkocht
toen het gebruiksrecht van de gemene gronden van de kerk van Sint
Lambertus uit Luik, aan de inwoners van Someren. In de bijbehorende
documenten staan een aantal grenzen en grenspunten van Someren:
Eindehouts, Hoenderboom, de molen van Heugten en de grens met het
gebied van de heer Van Horn en dat van de heer Van Asten (de Aa).
Eindehouts en Hoenderboom waren de noordelijke grenspunten
met Lierop. Lierop kocht op 8 december 1328 het gebruiksrecht van
haar gemene gronden van hertog Jan III. Naast Eindehouts en
Hoenderboom werden in de stukken Scorkene (= Euvelwegen te Heeze),
Bullingsberg, Stipdonk en Vladeraken (Vlerken) als grenspunten
opgenomen. Deze grenzen hebben grotendeels de tijd getrotseerd. De
belangrijkste grenswijziging tot nu toe, was die van 1935. Toen
verviel de grens tussen Someren en Lierop en gingen beide samen
verder onder de naam Someren.
De gemene gronden waren economisch erg belangrijk voor de
toenmalige inwoners van Someren en Lierop. Ze konden er onder
andere hun vee laten grazen, turf en zand winnen, bijenkorven
plaatsen en strooisel en heideplaggen voor de stal halen.
Door de eeuwen heen werden ook delen van de gemeenschappelijke woeste gronden ontgonnen. In de Middeleeuwen was het klooster van de Postel zeer actief op dit gebied met boerenvestigingen als de hoeve Ten Rode, de Hofstad (zowel in Someren als in Lierop) Groot en Klein Ekerbroek, Boomen, Moorsel en Ten Einde. Doordat in de tweede helft van de 17e eeuw de invloed van de kloosters flink terugliep, werd de ontginningsactiviteit minder.
Pas in de 19e eeuw vonden er weer op grote schaal
ontginningen plaats. Hieruit zijn rond 1875 en 1920 respectievelijk
Someren-Eind en Someren-Heide
ontstaan.
Het wapen
Bij Koninklijk besluit van 1 mei
1991 is aan de gemeente Someren een nieuw wapen verleend, waarvan
de omschrijving als volgt luidt:
Het wapen is gevierendeeld met in de kwartieren I
(linksboven) en IV (rechtsonder) in sabel (zwart) een leeuw van
goud, getongd en genageld van keel (rood) en in de kwartieren II
(rechtsboven) en III (linksonder) in zilver drie molenijzers van
keel (rood), geplaatst twee en één. Het schild is gedekt met een
gouden kroon van drie bladeren en twee parels. De leeuwen
symboliseren de zogenaamde Brabantse leeuwen uit het wapen dat de
hertog van Brabant in die tijd voerde, terwijl de molenijzers de
nauwe relatie van Someren met het kwartier Peelland onderstrepen.
De gemeentevlag
Sinds 1995 heeft Someren een officiële gemeentevlag,
waarvan de kleuren en symbolen overeenstemmen met het wapen.
De beschrijving
luidt als volgt:
De vlag heeft drie even hoge banen van wit, zwart en geel, met aan
de broekzijde op elke baan een rood molenijzer met een hoogte van
4/5 baanhoogte, met aan de vluchtzijde een gele leeuw met een
hoogte van 4/5 vlaghoogte.